Monitoren wat juiste hulp betekent

Gemeenten moeten de best passende hulp bieden, liefst preventief en budgettair verantwoord. Maar hoe houd je vinger aan de pols of dat afdoende gebeurt? In 3 regio’s in Nederland onderzochten werkplaatsen hoe je de jeugdhulp monitort.

‘Data verzamelen is niet moeilijk, ze duiden wel’

Projectleider jeugdhulp bij de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) Geert Schipaanboord* schetst de kansen van het verzamelen van data voor het monitoren van de kwaliteit van jeugdhulp. En hij plaatst een paar kanttekeningen.

‘Monitoren helpt je in beeld te krijgen of bepaalde groepen wel de juiste hulp ontvangen, en hoe dat komt. Op basis van data verwerf je inzicht en kun je het beleid en de uitvoering daarvan aanpassen. Daarom ben ik blij dat, ondanks de decentralisatie, het CBS – het Centraal Bureau voor de Statistiek – landelijk op een betrouwbare manier bijhoudt welke jeugdhulp wordt geboden in Nederland. Dat maakt ook regionaal vergelijken mogelijk. Daarnaast is het van belang om op lokaal niveau in kaart te brengen wie wanneer welke hulp ontvangt.’ Volgens Schipaanboord kunnen gemeenten dat omdat zij zorg en hulp inkopen. En omdat ze zicht hebben op de toegang tot die hulp; via data, maar ook doordat burgers de wethouder benaderen als de juiste hulp bijvoorbeeld niet beschikbaar lijkt.

Zoek naar de nuance, niet naar meer data

‘Data verzamelen is niet zo moeilijk, data juist analyseren wel’, vervolgt Schipaanboord. ‘En de goede acties ondernemen op basis van data is ook een kunst. Vaak gaat het gesprek tussen gemeenten en aanbieders over data die niet beschikbaar zijn of over het niet volledig (kunnen) interpreteren van de aanwezige cijfers. Maar je kunt geen algemene conclusies trekken over bijvoorbeeld cliënttevredenheid, als je geen onderscheid maakt tussen hulp die de jeugd-ggz biedt aan een depressieve jongere en gedwongen hulp van de jeugdbescherming. De oplossing is dus niet altijd meer data verzamelen, maar eerder de nuance zoeken. En soms dus ook “softere” onderzoekstechnieken toepassen om cijfers juist te interpreteren. Zoals gesprekken met wethouders, aanbieders en cliënten.’ Wat het trekken van conclusies ook bemoeilijkt bij dataverzameling op lokaal niveau, is dat de populatie voldoende groot moet zijn om iets zinnigs te kunnen concluderen. Met name in kleinere gemeente is dat soms lastig. Verder speelt de angst bij aanbieders dat een gemeente ze afrekent op de aangeleverde cijfers. Schipaanboord: ‘De gemeente is toch ook financier, dus straks oordeelt de gemeente misschien dat je het niet goed genoeg doet. Of juist zo goed, dat het budget wel omlaag kan.’

Als gemeente moet je ook naar jezelf durven kijken, besluit Schipaanboord. Verwijzen vooral huisartsen in jouw gemeente naar gespecialiseerde zorg? Misschien heb je veel hoger opgeleide burgers, die eerder geneigd zijn naar de huisarts te stappen. Of wellicht zijn de huisartsen niet voldoende doordrongen van de wens om naar het wijkteam te verwijzen. Maar het kan ook zijn dat het wijkteam niet toegankelijk genoeg voelt voor burgers en je daar als gemeente zelf mee aan de slag moet. Schipaanboord: ‘Voor de toekomst hoop ik daarom niet zozeer dat we meer data verzamelen, maar dat we ze slimmer gebruiken en daarover inhoudelijke gesprekken aangaan. Bijvoorbeeld met hulp van het kwaliteitskompas van het Nederlands Jeugdinstituut, het NJi. Dat instrument helpt relevante maatschappelijke indicatoren voor goede hulp in kaart brengen. Verder is het interessant dat we straks over een langere periode gegevens kunnen vergelijken en zo beter beleid kunnen maken, gebaseerd op langdurigere ervaring met de transformatie. Zo biedt het monitoren van de jeugdhulp kansen voor een effectievere en efficiëntere aanpak.’

Lees meer over de 3 onderzoeken:

Kale cijfers zeggen weinig

Meer monitoren is nodig

In dialoog gaan cijfers weer leven

* Geert Schipaanboord was tot februari 2021 werkzaam bij de VNG.

Lees verder

‘Kale cijfers zeggen weinig’

Wie? Projectleider en onderzoeker Arthur Rijkers

Werkplaats? Academische Werkplaats West-Brabant

Samenwerking met? Tilburg University, Tranzo (wetenschappelijk kenniscentrum voor zorg en welzijn), GGD West-Brabant

Onderzoeksvraag? Hoe kun je de toegang tot jeugdhulp monitoren en verbeteren?

Resultaat? Onderzoek Toegang om de hoek, inzicht in factoren die inzet van gespecialiseerde jeugdhulp beïnvloeden

Gemeenten richten de toegang tot jeugdhulp zo in, dat ze de inzet van gespecialiseerde jeugdhulp kunnen sturen. Te veel zware hulp leidt immers tot te hoge kosten en gaat voorbij aan transformatiedoelen als normaliseren, eigen regie, hulp dichtbij huis. ‘Het liefst wilden we de knop vinden waar je aan moet draaien om effectieve hulp tegen de laagste kosten te bieden’, vertelt Arthur Rijkers, projectleider van de Academische Werkplaats Jeugd Noord-Brabant en beleidswerker bij GGD West-Brabant. Daarvoor combineerde de werkplaats CBS-gegevens over jeugdhulpgebruik met verhalen van professionals, beleidsmakers en cliënten uit de gemeenten Breda, Roosendaal, Woensdrecht en Oosterhout.

Geen eenduidig verband

Maar die knop bleek na 3 jaar onderzoek niet zo gemakkelijk te vinden, aldus Rijkers. ‘Er zijn veel factoren van invloed op de vraag of specialistische hulp nodig is. Het liefst wilden alle gemeenten bij de start van de transitie in de jeugdzorg in 2015 inzetten op preventie, maar in de praktijk moesten ze alle zeilen bijzetten om continuïteit van zorg en hulp te kunnen garanderen. Terwijl ook nog eens de financiële druk opliep.’ Een eenduidig verband tussen toegang en doorverwijzen bleek niet zo eenvoudig aan te tonen. De gemeente Oosterhout besloot bijvoorbeeld vanuit de toegang geen hulp of ondersteuning te bieden, maar zich te richten op het verhelderen van de hulpvraag en op basis daarvan eventueel te verwijzen naar (gespecialiseerde) hulp.

Vervolgens bleek dat de gemeente een relatief grotere toename kende van het aantal jongeren met jeugdhulp vergeleken met andere gemeenten. Rijkers: ‘Toch konden we onvoldoende onderbouwen dat dit gevolg met de inrichting van de toegang te maken had. Want rondom toegang kunnen meer factoren het aantal doorverwijzingen beïnvloeden, denk aan het beter vroegtijdig problemen signaleren. De toename in Oosterhout was hoe dan ook wat vreemd, want er spelen meer en complexere gezinsproblemen in Woensdrecht en Roosendaal. Eigenlijk hadden we daar meer zware jeugdhulpverwijzingen verwacht.’

Kale cijfers

Zo kwam de werkplaats telkens terug bij de complexiteit van factoren die maken dat meer of minder gebruik wordt gemaakt van jeugdhulp. En hoe lastig het is om daar sturing aan te geven als gemeente. Rijkers: ‘De boodschap is in feite: het lijkt soms simpel, maar de oplossing is niet zo eenvoudig. Naast de inrichting van de jeugdhulp, heb je als gemeente bijvoorbeeld ook te maken met hoe huisartsen doorverwijzen, in welke mate vrijwilligers ondersteuning bieden aan gezinnen, hoe effectief gespecialiseerde hulp werkt.’ Wat het project van de werkplaats zeker heeft opgeleverd, is het besef dat hulpverleners en gemeenten voortdurend met elkaar moeten monitoren en bespreken wat nodig is en waarom, wat het oplevert en wat het kost. ‘Gevoed vanuit casuïstiek, want de kale cijfers zeggen niet zoveel’, stelt Rijkers vast. ‘Het zit ‘m erin hoe je ze interpreteert.’

Impact onderzoeken

Rijkers’ conclusie is dan ook dat je de dialoog over toegang tot hulp tussen burgers, beleidsmakers en professionals op gang moet houden. ‘Ik geloof niet zozeer in één universele interventie, maar eerder in een pragmatische blik op het geheel. Daarvoor moet je de praktijkervaringen analyseren en samen conclusies trekken. Het is zinvol om concreet uit de praktijk te leren wat de impact is van je beleid.’ Mede daarom is een bestuurskundige van de Radboud Universiteit bij het onderzoek betrokken, om het perspectief van cliënten, professionals te combineren met dat van de gemeente. ‘Met elkaar kun je het stelsel doorgronden. Het succes is niet aan één radartje toe te schrijven, je moet ieders rol in relatie tot elkaar bezien.’

Betaalbaar maatwerk

Rijkers plaatst wel een kanttekening bij het monitoren van toegang tot de best passende hulp: ‘Er eerder bij zijn, maatwerk bieden, inzet op eigen kracht én nog goedkoper uit zijn ook. Dat was het idee achter de transformatie en het klinkt te mooi om waar te zijn. Het is een uitdaging voor gemeenten hoe je deze uitgangspunten in de praktijk verenigt.’ De komende 2 jaar onderzoekt de gemeente Breda wat te doen wanneer de kosten oplopen, schetst Rijkers het vervolg. Als er meer nodig is dan laagdrempelige opvoedhulp vanuit het CJG, beoordeelt een regisseur van de gemeente of die doorverwijzing de juiste hulp is. En of die ook goed past. Rijkers: ‘Jeugdhulp moet betaalbaar en beschikbaar blijven voor iedereen. En de gemeente wil daarbij ook weten in hoeverre dat uitgangspunt als cliëntgericht wordt ervaren.’

‘Meer monitoren is nodig’

Wie? Projectleider Eddy de Tiège

Werkplaats? C4Youth Academische Werkplaats Jeugd in de provincie Groningen

Samenwerking met? Gemeente Stadskanaal, Centrum voor Jeugd, Gezin en Veiligheid Stadskanaal, GGD Groningen, UMCG

Onderzoeksvraag? Met welke prestatie-indicatoren kun je de transformatie monitoren met bestaande registratie?

Resultaat? Vervolgonderzoek nodig naar data-analyse en daaropvolgend monitoring

In de jeugdzorg wordt al zoveel gemonitord. Maar ondanks de beschikbare cijfers is nog veel onduidelijk. Het begint volgens Eddy de Tiège al met spraakverwarring over de term jeugdzorg, waardoor het niet zomaar duidelijk is of de relevante gegevens worden aangeleverd. ‘Het CBS gebruikt die term voor het geheel aan preventie, jeugdbescherming, jeugdreclassering en jeugdhulp, terwijl iedereen in het jeugdveld bij de term jeugdzorg denkt aan jeugdbescherming. Vergelijkbare onduidelijkheid vind je bij het onderscheid tussen preventie en jeugdhulp of tussen lichte en intensieve ondersteuning. Verder leveren jeugdhulpaanbieders gegevens aan bij het CBS over ondersteuning van jeugd, wat het CBS vervolgens als jeugdhulp rapporteert. Maar jeugdhulp die gemeenten zelf organiseren blijft zo buiten beeld. Ook de inzet van jeugdgezondheidszorg, welzijn en andere vormen van basisondersteuning vallen niet onder beleidsinformatie die het CBS verzamelt. Terwijl bij de transformatie juist de focus op deze vormen van ondersteuning ligt.’

Analyseren lastig

Op zoek naar prestatie-indicatoren die de voortgang van de transformatie kunnen volgen, wilde C4Youth de inzet van basisondersteuning en de relatie met jeugdhulp achterhalen uit bestaande registraties. De Tiège: ‘Helaas registreren alle organisaties op hun eigen manier. Logisch, want een ggz-organisatie heeft andere informatie nodig dan welzijnsorganisatie, alleen kunnen onderzoekers daardoor minder eenvoudig data koppelen. Daarom is het niet eenvoudig om informatie over hulptrajecten van preventief tot zwaardere hulp op individueel niveau te analyseren. Dat is jammer, want nu kan één kind – of ouder – bij verschillende organisaties geregistreerd zijn en wordt dus ook apart “meegeteld”. Daardoor kun je niets zeggen over het traject: komen jeugdigen eerst terecht bij preventieve hulp en daarna eventueel in zwaardere hulp? Dat is de veronderstelling, maar we kunnen die niet toetsen.’

Grip op transformatie

De Tiège noemt het ‘gek’ dat je het effect wilt weten van investeren in het preventieve veld (de jeugdgezondheidszorg) op de vraag naar specialistische hulp, maar dat in de Jeugdwet niet is geregeld hoe informatie over het gehele jeugdstelsel moet worden geregistreerd. En onder welke voorwaarden je gegevens uit verschillende bronnen mag combineren. ‘Tegelijk snap ik het wel, want de jeugdgezondheidszorg stáát helemaal niet in de Jeugdwet. Die valt onder de Wet publieke gezondheid, de Wpg. En dan heb je ook nog welzijn en bijvoorbeeld ondersteuning bij armoede… Maar toch, vanwege de moeilijkheden in de dataverzameling is het dus lastig om conclusies te trekken, laat staan om om grip te krijgen op de transformatie.’ Toch, vervolgt De Tiège, heeft de werkplaats veel geleerd.

Dat begon met het analyseren van geanonimiseerde bestanden van de gemeente Stadskanaal en jeugdgezondheidszorg. Zo is het volgens hem opvallend dat welzijnsorganisaties, jeugdgezondheidszorg en de gemeente nauw samenwerken rond jeugd, maar ieder in zijn eigen systeem registreert en gegevens niet structureel koppelt. ‘Daardoor is het gezamenlijke resultaat niet duidelijk. Tegelijkertijd: zou je een gezamenlijk registratiesysteem willen optuigen, dan lukt het waarschijnlijk wel om persoons- en procesgegevens te mogen uitwisselen, maar bij medische informatie wordt het ingewikkeld – burgers willen niet dat een ambtenaar bijvoorbeeld zomaar in zijn dossier kan kijken.’

Onverwachte uitwerking

Ondanks de moeilijkheden bij het monitoren, ontdekte C4Youth een aantal onverwachte zaken. Bijvoorbeeld dat de gemeente nieuwe ondersteuningsvormen heeft ontwikkeld om sneller steun op maat te bieden. Zo kunnen de praktijkondersteuners jeugd bij de huisarts (de POH Jeugd) en gedetacheerde hulpverleners zonder indicatie gesprekken met jeugdigen voeren. ‘Doordat we gegevens combineren, zien we dat na een POH-bezoek vaak geen verdere zorg meer nodig is, terwijl na gesprekken met gedetacheerde hulpverleners in de helft van de gevallen wél een zorgtoewijzing volgt. Je ontdekt dus dat nieuw aanbod van een gemeente soms onverwachte uitwerkingen heeft.’ Het onderzoek was een ingewikkeld proces, besluit De Tiège. ‘En we zijn er nog niet. Hopelijk laten onze resultaten zien hoe belangrijk het is om gegevens uit de basisondersteuning te betrekken bij het monitoren van de jeugdhulp. Maar pas als je data kunt combineren, kun je echt iets zeggen over het succes van de transformatie. Hopelijk leidt ons onderzoek tot die volgende stap.’

Lees verder

‘In dialoog gaan cijfers weer leven’

Wie? Werkgroeplid Joris van Veen, werkzaam bij de Hogeschool van Arnhem en Nijmegen (HAN)

Werkplaats? Academische Werkplaats Inside-Out (Gelderland)

Samenwerking met? HAN, Pluryn, Stichting Entrea, Pro Persona, gemeente Nijmegen, Radboud Universiteit en nog 9 partners

Onderzoeksvraag? Wat zijn de verhalen achter de cijfers?

Resultaat? Methode Transformatiedialoog verbetert zorg en hulp

Stel, in het cliënttevredenheidsonderzoek lees je dat een ouder de hulpverlening een 8 geeft. Dan heb je het geweldig gedaan, toch? Joris van Veen is het daar niet zomaar mee eens. ‘Een 8 kan van alles betekenen. Heb je als hulpverlener een goede relatie met een cliënt, dan vult diegene al snel een hoog cijfer in. Maar daarmee meet je de effectiviteit van zorg niet.’ Van Veen is als docent-onderzoeker Pedagogiek aan de HAN betrokken bij de Academische Werkplaats Inside-Out. Hij nam deel aan de werkgroep Transformatiedialogen, die samenwerkte met een andere werkgroep binnen de werkplaats: Data en Informatie. Deze laatste zocht alle cijfers over hulp en cliënten van gemeenten en jeugdhulpaanbieders bijeen, analyseerde ze en zette de gegevens op een rij.

De werkgroep Transformatiedialogen ging vervolgens aan de slag met het verhaal áchter deze cijfers. Beleidswerkers, hulpverleners en cliënten schoven aan voor een dialoog om de data te kunnen duiden. Van Veen: ‘Om terug te komen op die 8 voor cliënttevredenheid: tijdens de dialoog kwam naar voren dat een ouder inderdaad zeer tevreden was. Alleen duurde het zó lang voordat die goede hulpverlener in beeld kwam, dat intussen de problemen flink waren verslechterd. Dus hoe goed was de kwaliteit van zorg nu werkelijk, ondanks de 8 voor de hulpverlener in kwestie?’

Duiden van data

Cijfers duiden door het verhaal erachter te kennen, dat is de kracht van de Transformatiedialogen, vertelt Van Veen. ‘Ze zorgen voor de verbetering van het kwaliteitssysteem en je weet ook wat werkt. Zo kun je samen aan transitiedoelen werken.’ Als voorbeeld noemt hij de kwaliteit van integrale zorg. ‘De beginvraag is: wat is onze definitie van integrale hulp en wat noemen we kwalitatief hoogstaande integrale hulp? Als je dat weet, vervolgens meet wanneer daarvan sprake is en samen duidt wat die cijfers betekenen, kun je gaan werken aan verbetering.’ Dat klinkt als een open deur, erkent hij, maar het verbaast hem hoe vaak basale definities en vragen ontbreken in dataverzameling. ‘Dat is jammer, want als de antwoorden op de basale vragen ontbreken, wil je ze stellen tijdens de dialoog.

Terwijl je daar liever ingaat op de verdiepende vragen.’ De Transformatiedialogen hielpen organisaties en gemeenten diepere kennis en begrip te verwerven, vervolgt Van Veen. Zo zei een beleidsmedewerker tijdens een dialoog: ‘Ouders en kinderen mogen niet naar de huisarts met opvoedvragen, ze moeten naar het CJG of wijkteam.’ Daarop vroeg een ouder: ‘Tot wie wend jij je als je een vraag hebt over problemen met je kind?’ Beschroomd moest de beleidsmedewerker erkennen dat hij zelf dan toch naar de huisarts stapte. Van Veen: ‘De opgehaalde data gaan “leven” en dat leidt ertoe dat niet alleen op rationele, maar ook op meer menselijke gronden beleid wordt gemaakt.’

Warme contacten

Van het organiseren van de Transformatiedialogen hebben alle partijen veel geleerd. Vooral van ‘alles wat niet lukte’, stelt Van Veen vast. ‘Het begon met het werven van cliënten. Hulpverleners en beleidsmakers vinden, dat ging nog wel. Maar waar vind je ouders en jongeren die willen meedenken? En hoe maak je duidelijk waarom het belangrijk is dat ze meepraten?’ Zijn studenten gaf hij de opdracht om uit te zoeken hoe je dat doet – meteen een mooie manier om ook het onderwijs bij het project te betrekken. Zij ontdekten dat je ouders het best via warme contacten kunt benaderen, denk aan de intern begeleider op school. Dat werkt beter dan wanneer een onbekende persoon van buiten iemand benadert. ‘Wel zie je dat dan vooral gemotiveerde moeders zich aanmelden. Dat is niet erg representatief. Zo missen we de blik van vaders en dikwijls ook het perspectief van cliënten met een migrantenachtergrond.’

Cijfers vertalen

Een ander ‘leerpunt’ waarmee de studenten kwamen: begin ver van tevoren met de werving. En let op dat de tekst op je flyer of in een nieuwsbrief aansprekend is en helder maakt wat je gaat doen. ‘In plaats van “monitoren kwaliteitsverbetering met Transformatiedialogen” schreven we: cijfers vertalen met verhalen – waarmee ben jij (on)tevreden?’ Voor het werven van jongeren, wat moeizaam bleef gaan, raadt Van Veen aan om gebruik te maken van bestaande structuren, zoals jongerenraden van instellingen. ‘Waar we daarnaast tegenaan liepen, was dit: áls je dan iedereen bij elkaar hebt, hoe zorg je dan dat het gesprek een echte dialoog wordt?’ Een ‘tribunegesprek’ bleek niet te werken. Cliënten zouden aan de ene zijde hun persoonlijke ervaringen vertellen, waarna professionals aan de overzijde zouden ingaan op factoren waardoor zij hun werk minder goed kunnen uitvoeren dan ze wilden.

Van Veen: ‘Maar sommige jongeren vinden het veel te spannend om hun verhaal te delen met een grote, onbekende groep. Kleine groepjes jongeren die met elkaar ervaringen uitwisselen en daar onder leiding van een gespreksleider de gemene deler uithalen, dat werkte beter.’ Verder maakte het voor de opbrengst nogal wat uit hoe een gespreksleider zich opstelt. De HAN-studenten zochten uit over welke competenties hij of zij moet beschikken, zoals ‘meerzijdig partijdig’ kunnen reageren, samenvatten en écht open vragen stellen. De uitkomsten van de deelonderzoeken, uitleg van de Transformatiedialoog en een draaiboek zijn intussen verzameld in een online te raadplegen handleiding.

Eyeopener voor gemeenten

Van Veen vindt de zoektocht naar de meerwaarde en de vorm van de Transformatiedialogen winst voor alle betrokkenen. ‘Voor beleidsmedewerkers van gemeenten waren de verhalen achter de cijfers dikwijls een eyeopener. Studenten leerden onderzoek doen dat er werkelijk toe doet. Cliënten kunnen op een volwaardige manier betekenis geven aan hulp met hun ervaringen. En instellingen denken, net als gemeenten, nu beter na over de manier waarop ze kwaliteit meten en met welk resultaat je tevreden bent. Zoals een bestuurder het formuleerde: zijn we echt tevreden dat 70 procent zich geholpen voelt, nu je de soms schrijnende verhalen kent achter de overige 30 procent ontevreden ouders en jongeren?’ Dat maakt volgens Van Veen heel duidelijk dat een Transformatiedialoog de papieren werkelijkheid invoelbaar maakt. Ook als docent-onderzoeker heeft Van Veen geleerd van zowel het proces als van de dialogen zelf. ‘Ik spreek cliënten als gespreksleider en neem die praktijkvoorbeelden mee de les in. Ik verdiep me beter in gemeentelijk jeugdbeleid en nodig gemakkelijker hulpverleners uit als gastdocent, nu de lijntjes korter zijn.’

Blinde vlekken

De openheid van alle partijen in de regio waardeert Van Veen zeer. ‘Je deelt toch gevoelige informatie – laat je als instelling iets los over de mankementen van je kwaliteitsmeting, dan hoort de gemeente, jouw financier, dat ook.’ Hij hoopt, nu de subsidie stopt, dat anderen er ook mee aan de slag gaan. De uitkomsten van de deelonderzoeken, een uitleg van de Transformatiedialoog en een draaiboek zijn intussen verzameld in een kennisdossier op de site van het NJi. Van Veen: ‘Een Transformatiedialoog is een prachtige manier om blinde vlekken op te sporen, om te achterhalen wat we eigenlijk níet weten maar wel zouden moeten weten om goede hulp te bieden.’

Als een regio met de methodiek aan de slag wil, adviseert Van Veen wel om alle partijen direct vanaf het begin te betrekken – dus ook ouders en jongeren. ‘Organiseer eerst met z’n allen een dialoog over wat je graag boven tafel wilt hebben. Als iedereen daarover hetzelfde denkt, is het een koud kunstje om naderhand alle neuzen dezelfde kant op te krijgen voor de verbeterslag. Want dat is uiteindelijk waar het om te doen is: de transformatiedoelen realiseren van hulp dichtbij, integraal, zo snel mogelijk en het liefst preventief.’

Video
Share

Facebook

Twitter

LinkedIn

Contact

Verstuur

Aanmelden

Meld aan